Mits duurzaam geproduceerd, biedt het gebruik van biomassa ook kansen voor de producerende landen. Dit betreft onder andere bodemherstel, rurale ontwikkeling en hogere efficiëntie in de landbouw. Dat schrijft de projectgroep 'Duurzame productie van biomassa' in het eindrapport dat op 27 april is aangeboden aan minister Cramer van VROM en Koenders van ontwikkelingssamenwerking. De commissie heeft een toetsingskader geformuleerd voor duurzame biomassa. Het toetsingskader dat de commissie heeft opgesteld maakt geen verschil tussen biomassa van Nederlandse, EU of niet-EU oorsprong. Het toetsingskader geldt voor de productie en bewerking van biomassa in energie, brandstoffen en chemie. De nadruk ligt op transportbrandstoffen en elektriciteitsproductie.
Het rapport bevat de meest progressieve visie ter wereld hoe we de toekomstige energiestromen uit planten en bomen moeten verduurzamen, met de handtekening van o.a. de Rabobank, Shell, Electrabel, Essent, OxfamNovib en Cargill. Een stap die broodnodig is om ervoor te zorgen dat biomassa zo min mogelijk zal concurreren met voedsel, zorgt voor een fikse vermindering van de uitstoot van koolstofdioxide, ook ten goede komt aan de lokale bevolking, bodemerosie voorkomt enzovoorts. Overduidelijk hoe het mis kan gaan zonder in te grijpen is te zien in de verbranding van palmolie in Nederlandse elektriciteitscentrales, welke onder het mom van klimaatneutrale brandstof werd geïmporteerd. Door het droogleggen van de veengronden in Indonesië voor het aanleggen van palmolieplantages kwam echter veel meer broeikasgas vrij dan dat de reductie door het vervangen van fossiele brandstoffen opleverde. De volgende figuur uit het rapport spreekt boekdelen:
Zes thema'sZes thema's bepalen de duurzaamheid van biomassa. Het gaat om broeikasgasemissies, de concurrentie met voedsel en lokale toepassingen van biomassa, biodiversiteit, milieu, welvaart en welzijn. Het ontwikkelde toetsingskader volgt een indeling in principes, criteria en indicatoren. Er zijn 9 principes ontleend aan de verschillende thema's. De 9 principes ten aanzien van het Toetsingskader op bedrijfsniveau betreffen:
De andere criteria zijn minder gemakkelijk cijfermatig te beoordelen. Wanneer het gaat om de competitie van brandstof met voedsel bijvoorbeeld, principe 3, wil men op aanvraag van de Nederlandse overheid een rapportage kunnen krijgen welke inzicht geeft in o.a. verschuivingen van teelt, statistieken over landgebruik en opbrengsten en veranderingen in prijsinformatie over land en voedsel. Nog een hele reeks factoren moeten daartoe in een systematiek worden gevoegd dat nog niet eens bestaat. Bovendien is per pas duidelijkheid nadat een gedeelte van het kwaad is geschied. Het meest problematische van de criteria is echter hoe we ervoor zorgen dat er een zo groot mogelijk draagvlak ontstaat in de vele landen van de wereld om soortgelijke systemen te omarmen. Dat begint met het opstellen van een praktisch certificeringsysteem voor duurzame biomassa, waarvoor in het rapport drie verschillende voorstellen zijn gedaan, volg- en traceer, massa balans en verhandelbare certificaten (pagina 25 t/m 29 van het rapport).
Negatieve effecten op macroniveauBij mogelijk negatieve effecten op macroniveau is het de taak van de Nederlandse overheid om, zo mogelijk in EU verband, in overleg te treden met de overheid in het productieland en samen te streven naar een verantwoorde planning van landgebruik. Als de plaatselijke overheid niet bereid is hierop in te gaan, staat de Nederlandse overheid voor een politieke afweging om het gebruik van biomassa uit deze regio's te ontmoedigen, al of niet in EU-verband.
AanbevelingenDe projectgroep tot de volgende aanbevelingen:
Het rapport Toetsingskader voor duurzame biomassa is te vinden op de website van het ministerie van VROM.
Het rapport bevat de meest progressieve visie ter wereld hoe we de toekomstige energiestromen uit planten en bomen moeten verduurzamen, met de handtekening van o.a. de Rabobank, Shell, Electrabel, Essent, OxfamNovib en Cargill. Een stap die broodnodig is om ervoor te zorgen dat biomassa zo min mogelijk zal concurreren met voedsel, zorgt voor een fikse vermindering van de uitstoot van koolstofdioxide, ook ten goede komt aan de lokale bevolking, bodemerosie voorkomt enzovoorts. Overduidelijk hoe het mis kan gaan zonder in te grijpen is te zien in de verbranding van palmolie in Nederlandse elektriciteitscentrales, welke onder het mom van klimaatneutrale brandstof werd geïmporteerd. Door het droogleggen van de veengronden in Indonesië voor het aanleggen van palmolieplantages kwam echter veel meer broeikasgas vrij dan dat de reductie door het vervangen van fossiele brandstoffen opleverde. De volgende figuur uit het rapport spreekt boekdelen:
Zes thema'sZes thema's bepalen de duurzaamheid van biomassa. Het gaat om broeikasgasemissies, de concurrentie met voedsel en lokale toepassingen van biomassa, biodiversiteit, milieu, welvaart en welzijn. Het ontwikkelde toetsingskader volgt een indeling in principes, criteria en indicatoren. Er zijn 9 principes ontleend aan de verschillende thema's. De 9 principes ten aanzien van het Toetsingskader op bedrijfsniveau betreffen:
- De broeikasgasbalans van de productieketen en toepassing van de biomassa is positief.
- Biomassaproductie gaat niet ten koste van belangrijke koolstofreservoirs in de vegetatie en in de bodem.
- Biomassaproductie voor energie mag de voedselvoorziening en lokale biomassatoepassingen niet in gevaar brengen.
- Biomassaproductie gaat niet ten koste van beschermde of kwetsbare biodiversiteit en versterkt waar mogelijk de biodiversiteit.
- Bij de productie en verwerking van biomassa blijven de bodem en de bodemkwaliteit behouden of worden ze verbeterd.
- Bij de productie en verwerking van biomassa worden grond- en oppervlaktewater niet uitgeput en wordt de waterkwaliteit gehandhaafd of verbeterd.
- Bij de productie en verwerking van biomassa wordt de luchtkwaliteit gehandhaafd of verbeterd.
- Productie van biomassa draagt bij aan de lokale welvaart.
- Productie van biomassa draagt bij aan het welzijn van de werknemers en de lokale bevolking.
De andere criteria zijn minder gemakkelijk cijfermatig te beoordelen. Wanneer het gaat om de competitie van brandstof met voedsel bijvoorbeeld, principe 3, wil men op aanvraag van de Nederlandse overheid een rapportage kunnen krijgen welke inzicht geeft in o.a. verschuivingen van teelt, statistieken over landgebruik en opbrengsten en veranderingen in prijsinformatie over land en voedsel. Nog een hele reeks factoren moeten daartoe in een systematiek worden gevoegd dat nog niet eens bestaat. Bovendien is per pas duidelijkheid nadat een gedeelte van het kwaad is geschied. Het meest problematische van de criteria is echter hoe we ervoor zorgen dat er een zo groot mogelijk draagvlak ontstaat in de vele landen van de wereld om soortgelijke systemen te omarmen. Dat begint met het opstellen van een praktisch certificeringsysteem voor duurzame biomassa, waarvoor in het rapport drie verschillende voorstellen zijn gedaan, volg- en traceer, massa balans en verhandelbare certificaten (pagina 25 t/m 29 van het rapport).
Negatieve effecten op macroniveauBij mogelijk negatieve effecten op macroniveau is het de taak van de Nederlandse overheid om, zo mogelijk in EU verband, in overleg te treden met de overheid in het productieland en samen te streven naar een verantwoorde planning van landgebruik. Als de plaatselijke overheid niet bereid is hierop in te gaan, staat de Nederlandse overheid voor een politieke afweging om het gebruik van biomassa uit deze regio's te ontmoedigen, al of niet in EU-verband.
AanbevelingenDe projectgroep tot de volgende aanbevelingen:
- De projectgroep beveelt aan het ontwikkelde toetsingskader op bedrijfsniveau zo spoedig mogelijk op te nemen in relevante beleidsinstrumenten,
- In verband met investeringen en handelscontracten is het belangrijk dat marktpartijen zo spoedig mogelijk inzicht hebben in de tijdstrajecten die verbonden zijn aan de implementatie van het toetsingskader in het beleid.
- De Nederlandse overheid dient zo spoedig mogelijk vorm te geven aan het toetsingskader op macroniveau. Dit betreft vooral veranderingen in landgebruik. Indirecte verschuivingen van landgebruik hebben mogelijk
effecten op de biodiversiteit, de broeikasgasbalans en concurrentie met voedsel. - Het is belangrijk dat de Nederlandse overheid de ontwikkeling van een certificeringsysteem ondersteunt en zo nodig stimuleert. Een internationaal
geharmoniseerd systeem heeft de voorkeur. - Het toetsingskader vertoont overlap met andere certificeringsystemen. Om duplicering van certificering te voorkomen, is een zorgvuldig beoordelingsproces
nodig om systemen mogelijk equivalent te verklaren. - De projectgroep beveelt aan om de afstemming van het in Nederland ontwikkelde toetsingskader met die van andere Europese landen voort te zetten in de richting van een uniform toetsingskader op EU-niveau.
- Het toetsingskader is tot stand gekomen via een breed consultatieproces. Gezien het tijdsbestek heeft een dialoog met stakeholders in de producerende
landen nog niet plaatsgevonden. Deze dialoog is wel noodzakelijk. De kleine
producenten verdienen hierbij specifieke aandacht. De dialoog met stakeholders in producerende landen zou zo spoedig mogelijk moeten starten. - Het hier ontwikkelde toetsingskader dient in de praktijk te worden getest en verder te worden verfijnd. De projectgroep acht hiervoor de volgende planning realistisch:
- In de periode maart 2007 - juli 2007 moet het
toetsingskader door ten minste 8 bedrijven met verschillende grondstofstromen worden getest op bruikbaarheid in de praktijk. - In de periode september 2007 tot september 2010 dienen ten minste 5 langlopende pilotstudies te worden uitgevoerd.
- Eind 2010 moet er een evaluatie van het toetsingskader plaats te vinden, op basis waarvan verbeteringen in de systematiek in 2011 eff ectief kunnen worden doorgevoerd.
- In de periode maart 2007 - juli 2007 moet het
- Om te zorgen voor continuering van bovenstaande activiteiten is het wenselijk om een tripartiet samengestelde projectgroep van overheid, bedrijfsleven
en NGO's in te stellen als vervolg op projectgroep "Duurzame productie van biomassa". Deze projectgroep heeft als taak om:- Het testen van het toetsingskader te begeleiden;
- De langetermijnpilots uit te zetten en nauwkeurig te volgen;
- Het onderbouwende onderzoek in gang te zetten en
op resultaat te volgen; - Aanbevelingen te doen aan de overheid over
internationale afstemming, de vertaling van het toetsingskader in beleid, en het stimuleren van een certificeringsysteem.
- Voor de berekening van de broeikasgasbalans is een methodologie ontwikkeld. Bij de vertaling van het
toetsingskader in beleidsinstrumenten beveelt de projectgroep het gebruik van deze methodologie aan. Op basis van de rekenmethodiek wordt nu een
instrument wordt ontwikkeld, die het met behulp van standaardwaarden eenvoudig maakt om biomassastromen en technologieën te berekenen. De
projectgroep vindt het noodzakelijk dat dit instrument in september 2007 gereed is voor toepassing in de praktijk. - De minimumeisen aan de broeikasgasbalans van biomassastromen dienen in stappen verhoogd te worden, zodat een versnelde ontwikkeling van de
technologie gestimuleerd wordt. - De projectgroep vindt het realistisch om nu uit te gaan van 30% emissiereductie voor biotransportbrandstoffen, en van 50-70% voor
elektriciteitsproductie. De projectgroep vindt dat er naar moet worden gestreefd
om over tien jaar ten minste 80 tot 90% emissiereductie te realiseren ten opzichte van de huidige fossiele referenties.
Het rapport Toetsingskader voor duurzame biomassa is te vinden op de website van het ministerie van VROM.
Bedrijven kunnen vanaf vandaag weer meedoen aan de Transparantiebenchmark. Dit is een jaarlijks onderzoek van het ministerie van Economische Zaken naar de inhoud en kwaliteit van maatschappelijke verslaggeving. Ondernemingen die tussen 1 mei en 1 juli 2013 het self-assessment invullen, dingen mee naar de Kristalprijs voor maatschappelijke verslaggeving, een gezamenlijk initiatief van EZ en de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). Op 21 november wordt bekend welke bedrijven het meest transparant zijn over de economische, milieu- en sociale resultaten van hun bedrijfsvoering.