woensdag 02 mei 2007
Mits duurzaam geproduceerd, biedt het gebruik van biomassa ook
kansen voor de producerende landen. Dit betreft onder andere
bodemherstel, rurale ontwikkeling en hogere efficiëntie in de landbouw.
Dat schrijft de projectgroep 'Duurzame productie van biomassa' in het
eindrapport dat op 27 april is aangeboden aan minister Cramer van VROM
en Koenders van ontwikkelingssamenwerking. De commissie heeft een
toetsingskader geformuleerd voor duurzame biomassa.
Het toetsingskader dat de commissie heeft opgesteld maakt geen
verschil tussen biomassa van Nederlandse, EU of niet-EU oorsprong. Het
toetsingskader geldt voor de productie en bewerking van biomassa in
energie, brandstoffen en chemie. De nadruk ligt op
transportbrandstoffen en elektriciteitsproductie.
Het rapport bevat de meest progressieve visie ter
wereld hoe we de toekomstige energiestromen uit planten en bomen moeten
verduurzamen, met de handtekening van o.a. de Rabobank, Shell,
Electrabel, Essent, OxfamNovib en Cargill. Een stap die broodnodig is
om ervoor te zorgen dat biomassa zo min mogelijk zal concurreren met
voedsel, zorgt voor een fikse vermindering van de uitstoot van
koolstofdioxide, ook ten goede komt aan de lokale bevolking,
bodemerosie voorkomt enzovoorts. Overduidelijk hoe het mis kan gaan
zonder in te grijpen is te zien in de verbranding van palmolie in
Nederlandse elektriciteitscentrales, welke onder het mom van
klimaatneutrale brandstof werd geïmporteerd. Door het droogleggen van
de veengronden in Indonesië voor het aanleggen van palmolieplantages
kwam echter veel meer broeikasgas vrij dan dat de reductie door het
vervangen van fossiele brandstoffen opleverde. De volgende figuur
uit het rapport spreekt boekdelen:
Zes thema's
Zes thema's bepalen de duurzaamheid van biomassa. Het gaat om
broeikasgasemissies, de concurrentie met voedsel en lokale toepassingen
van biomassa, biodiversiteit, milieu, welvaart en welzijn. Het
ontwikkelde toetsingskader volgt een indeling in principes, criteria en
indicatoren. Er zijn 9 principes ontleend aan de verschillende thema's.
De 9 principes ten aanzien van het Toetsingskader op bedrijfsniveau
betreffen:
- De broeikasgasbalans van de productieketen en toepassing van de biomassa is positief.
- Biomassaproductie gaat niet ten koste van belangrijke koolstofreservoirs in de vegetatie en in de bodem.
- Biomassaproductie voor energie mag de voedselvoorziening en lokale biomassatoepassingen niet in gevaar brengen.
- Biomassaproductie gaat niet ten koste van beschermde of kwetsbare biodiversiteit en versterkt waar mogelijk de biodiversiteit.
- Bij de productie en verwerking van biomassa blijven de bodem en de bodemkwaliteit behouden of worden ze verbeterd.
- Bij de productie en verwerking van biomassa worden grond- en
oppervlaktewater niet uitgeput en wordt de waterkwaliteit gehandhaafd
of verbeterd.
- Bij de productie en verwerking van biomassa wordt de luchtkwaliteit gehandhaafd of verbeterd.
- Productie van biomassa draagt bij aan de lokale welvaart.
- Productie van biomassa draagt bij aan het welzijn van de werknemers en de lokale bevolking.
Voor het berekenen van de broeikasgasbalans is een rekenmethodiek opgesteld die internationaal is afgestemd. In deze
methodiek worden broeikasgasemissies die samenhangen met indirecte
verschuivingen in landgebruik niet meegenomen. De rekenmethodiek wordt
in de komende periode verder uitgewerkt in een operationeel
rekeninstrument.
De emissiereductie van broeikasgassen in de beginperiode
moet minstens 50-70% zijn voor de elektriciteitsproductie en ten minste
30% voor biobrandstoffen ten opzichte van fossiele brandstoffen. Voor
later adviseert de projectgroep dat moet worden gestreefd naar ten
minste 80 tot 90% emissiereducties over tien jaar. Die reducties kunnen
berekend worden doormiddel van een ingewikkeld rekenschema, wat er
ongeveer zo uit gaat zien:
De
andere criteria zijn minder gemakkelijk cijfermatig te beoordelen. Wanneer het gaat om de competitie van brandstof met
voedsel bijvoorbeeld, principe 3, wil men op aanvraag van de
Nederlandse overheid een rapportage kunnen krijgen welke inzicht geeft
in o.a. verschuivingen van teelt, statistieken over landgebruik en
opbrengsten en veranderingen in prijsinformatie over land en voedsel.
Nog een hele reeks factoren moeten daartoe in een systematiek worden gevoegd dat nog niet eens bestaat. Bovendien is per pas duidelijkheid
nadat een gedeelte van het kwaad is geschied. Het meest problematische
van de criteria is echter hoe we ervoor zorgen dat er een zo groot
mogelijk draagvlak ontstaat in de vele landen van de wereld om
soortgelijke systemen te omarmen. Dat begint met het opstellen van een
praktisch certificeringsysteem voor duurzame biomassa, waarvoor in het
rapport drie verschillende voorstellen zijn gedaan, volg- en traceer,
massa balans en verhandelbare certificaten (pagina 25 t/m 29 van het rapport).
Negatieve effecten op macroniveau
Bij mogelijk negatieve effecten op macroniveau is het de taak van de
Nederlandse overheid om, zo mogelijk in EU verband, in overleg te
treden met de overheid in het productieland en samen te streven naar
een verantwoorde
planning van landgebruik. Als de plaatselijke overheid niet bereid is
hierop in te gaan, staat de Nederlandse overheid voor een politieke
afweging om het gebruik van biomassa uit deze regio's te ontmoedigen,
al of niet in EU-verband.
Aanbevelingen
De projectgroep tot de volgende aanbevelingen:
- De
projectgroep beveelt aan het ontwikkelde toetsingskader op
bedrijfsniveau zo spoedig mogelijk op te nemen in relevante
beleidsinstrumenten,
- In verband met investeringen en handelscontracten is het
belangrijk dat marktpartijen zo spoedig mogelijk inzicht hebben in de
tijdstrajecten die verbonden zijn aan de implementatie van het
toetsingskader in het beleid.
- De Nederlandse overheid dient zo spoedig mogelijk vorm te
geven aan het toetsingskader op macroniveau. Dit betreft vooral
veranderingen in landgebruik. Indirecte verschuivingen van landgebruik
hebben mogelijk
effecten op de biodiversiteit, de broeikasgasbalans en concurrentie met voedsel.
- Het is belangrijk dat de Nederlandse overheid de ontwikkeling
van een certificeringsysteem ondersteunt en zo nodig stimuleert. Een
internationaal
geharmoniseerd systeem heeft de voorkeur.
- Het toetsingskader vertoont overlap met andere
certificeringsystemen. Om duplicering van certificering te voorkomen,
is een zorgvuldig beoordelingsproces
nodig om systemen mogelijk equivalent te verklaren.
- De projectgroep beveelt aan om de afstemming van het in
Nederland ontwikkelde toetsingskader met die van andere Europese landen
voort te zetten in de richting van een uniform toetsingskader op
EU-niveau.
- Het toetsingskader is tot stand gekomen via een breed
consultatieproces. Gezien het tijdsbestek heeft een dialoog met
stakeholders in de producerende
landen nog niet plaatsgevonden. Deze dialoog is wel noodzakelijk. De kleine
producenten verdienen hierbij specifieke aandacht. De dialoog met
stakeholders in producerende landen zou zo spoedig mogelijk moeten
starten.
- Het hier ontwikkelde toetsingskader dient in de praktijk te
worden getest en verder te worden verfijnd. De projectgroep acht
hiervoor de volgende planning realistisch:
- In de periode maart 2007 - juli 2007 moet het
toetsingskader door ten minste 8 bedrijven met verschillende grondstofstromen worden getest op bruikbaarheid in de praktijk.
- In de periode september 2007 tot september 2010 dienen ten minste 5 langlopende pilotstudies te worden uitgevoerd.
- Eind
2010 moet er een evaluatie van het toetsingskader plaats te vinden, op
basis waarvan verbeteringen in de systematiek in 2011 eff ectief kunnen
worden doorgevoerd.
- Om te zorgen voor continuering
van bovenstaande activiteiten is het wenselijk om een tripartiet
samengestelde projectgroep van overheid, bedrijfsleven
en NGO's in te stellen als vervolg op projectgroep "Duurzame productie van biomassa". Deze projectgroep heeft als taak om:
- Het testen van het toetsingskader te begeleiden;
- De langetermijnpilots uit te zetten en nauwkeurig te volgen;
- Het onderbouwende onderzoek in gang te zetten en
op resultaat te volgen;
- Aanbevelingen te doen aan de overheid over
internationale afstemming, de vertaling van het toetsingskader in beleid, en het stimuleren van een certificeringsysteem.
- Voor de berekening van de broeikasgasbalans is een methodologie ontwikkeld. Bij de vertaling van het
toetsingskader in beleidsinstrumenten beveelt de projectgroep het
gebruik van deze methodologie aan. Op basis van de rekenmethodiek wordt
nu een
instrument wordt ontwikkeld, die het met behulp van standaardwaarden
eenvoudig maakt om biomassastromen en technologieën te berekenen. De
projectgroep vindt het noodzakelijk dat dit instrument in september 2007 gereed is voor toepassing in de praktijk.
- De minimumeisen aan de broeikasgasbalans van biomassastromen
dienen in stappen verhoogd te worden, zodat een versnelde ontwikkeling
van de
technologie gestimuleerd wordt.
- De projectgroep vindt het realistisch om nu uit te gaan van
30% emissiereductie voor biotransportbrandstoffen, en van 50-70% voor
elektriciteitsproductie. De projectgroep vindt dat er naar moet worden gestreefd
om over tien jaar ten minste 80 tot 90% emissiereductie te realiseren ten opzichte van de huidige fossiele referenties.
Het rapport
Toetsingskader voor duurzame biomassa is te vinden op de website van het ministerie van VROM.
You need to
login or
register to post comments.